1994-03-18 hr bevrijdende betaling echtscheiding gemeenschap


HR 18-03-1994 NJ 1995 410


Vordering uit levensverzekering die in ontbonden en onverdeelde huwelijksgoederengemeenschap valt. Bevoegdheid deelgeno(o)t(en) tot aannemen van de uitkering. Bevrijdende betaling aan degene die krachtens betalingsbeding in verzekeringsovereenkomst inningsbevoegd is.
Het gaat hier om een recht op een levensverzekeringsuitkering dat in een ontbonden en onverdeelde huwelijksgoederengemeenschap valt. Er is derhalve sprake van een "aan de gemeenschap verschuldigde prestatie" als bedoeld in art. 3:170 lid 2 BW.
Eiseres tot cassatie, die verzekeringneemster, verzekerde en begunstigde voor de uitkering is, is slechts gezamenlijk met de overige deelgenoten in de gemeenschap bevoegd tot het aannemen van de uitkering. De andersluidende regel van HR 3 febr. 1967, NJ 1967, 441 heeft geen gelding meer.
Een beding in een overeenkomst waarbij een bepaalde persoon is aangewezen als degene aan wie de ingevolge deze overeenkomst te verrichten betalingen moeten worden gedaan, levert een "redelijke grond" in de zin van art. 6:34 BW op, waarop de schuldenaar zonder tot enig nader onderzoek te zijn gehouden mag afgaan. Hij heeft, zulks doende, bevrijdend betaald, ook als deze persoon achteraf blijkt toen deelgenoot in een ontbonden huwelijksgemeenschap te zijn geweest. Dit is slechts anders wanneer de schuldenaar ten tijde van die betaling wist of op grond van een tijdige mededeling van de andere deelgenoot of diens erfgenamen had behoren te begrijpen dat degene die door het beding is aangewezen, jegens die anderen niet tot het ontvangen van de betaling bevoegd was

NJ 1995/410


HOGE RAAD
18 maart 1994, nr. 15354
(Mrs. Martens, Mijnssen, Neleman, Heemskerk, Nieuwenhuis; A-G De Vries Lentsch-Kostense; m.nt. WMK)
RvdW 1994, 77

BW art. 3:170, 6:34

[Essentie] . NOOT *

[Tekst] Theodora Maria van Tholen-Kemna, te Heiloo, eiseres tot cassatie, adv. mr. R.S. Meijer,
tegen
Nationale-Nederlanden Levensverzekering Maatschappij NV, te Rotterdam, verweerster in cassatie, adv. mr. J. Wuisman.
Rechtbank:
2. De vaststaande feiten
Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of niet voldoende gemotiveerd weersproken staat tussen partijen - voor zover van belang - het volgende vast:
- Eiseres heeft met de rechtsvoorganger van gedaagde een overeenkomst van levensverzekering gesloten met als ingangsdatum 1 juli 1966, en als einddatum 1 juli 1992. Eiseres is verzekeringneemster, verzekerde en begunstigde voor de uitkering bij in leven zijn op 1 juli 1992. De per 1 juli 1992 opeisbare en verschuldigde uitkering bedraagt ƒ 12 543.
- De vorderingsrechten uit bedoelde overeenkomst maken deel uit van de ontbonden maar nog niet verdeelde huwelijksgemeenschap, waarin naast eiseres twee kinderen van de overleden echtgenoot van eiseres deelgenoot zijn.
3. De stellingen van partijen
3.1. Eiseres legt aan haar vordering naast de hierboven weergegeven vaststaande feiten de volgende stelling - zakelijk weergegeven - ten grondslag:
Tegenover gedaagde heeft eiseres recht op bedoelde uitkering op eigen naam, aangezien zij contractspartij van gedaagde is althans zij als begunstigde de persoon is aan wie uit hoofde van de overeenkomst van levensverzekering de uitkering uitbetaald dient te worden.
3.2. Vooruitlopend op het haar reeds bekende verweer van gedaagde heeft eiseres voorts het volgende aangevoerd:
De art. 3:170 lid 2 jo. 3:189 lid 2 jo. 6:15 van het Burgerlijk Wetboek (hierna BW) staan er niet aan in de weg dat eiseres van gedaagde uitbetaling van de uitkering kan vorderen. Uit jurisprudentie, met name HR 3 febr. 1967, NJ 1967, 441, is af te leiden dat gedaagde geen bezwaren ontleend aan het huwelijksgoederenregime of de omstandigheid dat eiseres met andere deelgenoten in een onverdeelde gemeenschap zit, kan opwerpen tegen een vordering tot nakoming van haar uitkeringsverplichting.
- Het innen van een uitkering als een handeling van "gewoon beheer" waartoe ieder der deelgenoten zo nodig zelfstandig bevoegd is.
- Het is maatschappelijk onaanvaardbaar en een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van een eisende partij, indien een gedaagde partij voordat zij overgaat tot uitbetaling, zich gaat verdiepen in mogelijke huwelijksvermogensrechtelijke beletselen.
3.3. Gedaagde heeft de vordering gemotiveerd betwist daartoe onder meer - zakelijk weergegeven - stellende:
- Krachtens de art. 3:170 lid 2 jo. 3:189 lid 2 jo. 3:166 BW is het innen van een uitkering die verschuldigd is aan een gemeenschap een beheersdaad, waartoe de deelgenoten tezamen bevoegd zijn. Gedaagde kan dan ook tegen finale kwijting enkel aan de deelgenoten gezamenlijk betalen en niet aan de begunstigde, in casu eiseres, alleen, waar deze heeft gesteld op eigen naam en voor zichzelf uitbetaling te verlangen.
- Gelet op de relevante wetsgeschiedenis lijkt het innen van een zodanige uitkering niet meer beschouwd te kunnen worden als een daad van gewoon beheer.
- Gedaagde heeft er geen behoefte aan zich in de persoonlijke levenssfeer van haar contractant te verdiepen, maar wordt daartoe door de bestaande wetgeving gedwongen.
4. De beoordeling van het geschil
4.1. Partijen twisten over de vraag of na de invoering van het thans geldende recht per 1 jan. 1992 een verzekeraar aan een krachtens een verzekeringsovereenkomst rechthebbende van een uitkering tegen finale kwijting (d.w.z. volledig bevrijdend) kan betalen, ook indien deze rechthebbende deelgenoot is in een gemeenschap en de vordering in de gemeenschap valt.
4.2. Eiseres stelt dat de regeling in de wet voor gemeenschappen zoals art. 3:170 BW enkel interne werking heeft en niet betrekking heeft op de relatie tussen deelgenoten en derden.
4.3. In de handelingen van de Tweede Kamer betreffende art. 3:170 BW (MvA II, Parl. Gesch. boek 3, p. 589) is onder andere ten aanzien van het aannemen van aan de gemeenschap verschuldigde prestaties het volgende opgenomen:
"Het is niet gewenst dat de bevoegdheid tot dit aannemen als hoofdregel aan ieder van de deelgenoten zelfstandig toekomt. Aldus zou behoudens bijzondere voorzieningen, die vaak zullen ontbreken, immers bijv. iedere erfgenaam tot inning van alle tot de nalatenschap behorende vorderingen voor het geheel kunnen overgaan, zonder dat enige waarborg zou bestaan dat het aldus geïnde aan de gezamenlijke deelgenoten ter verdeling zou worden afgedragen. En hetzelfde zou gelden in geval van een ontbonden huwelijksgemeenschap hetgeen vooral bedenkelijk zijn kan, indien de gemeenschap zou zijn ontbonden door echtscheiding of door scheiding van tafel en bed en dus de verhouding tussen de voormalige echtelieden waarschijnlijk slecht zal zijn. Ingevolge het onderhavige artikel zijn tot de inontvangstname thans alleen de deelgenoten tezamen bevoegd."
4.4. Het is mitsdien uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever om aldus te voorkomen dat, niet krachtens een directe verbintenis, gerechtigde deelgenoten ten aanzien van een in de gemeenschap vallende prestatie misgrijpen.
Om de schuldenaar te beschermen tegen een al te rigide werking van bovengenoemde regeling is art. 6:15 lid 3 BW opgenomen. Indien de derde, in casu de schuldenaar, niet wist noch behoefde te weten dat de vordering in een gemeenschap viel, wordt hij beschermd als hem wordt tegengeworpen dat hij aan alle deelgenoten tezamen had moeten uitkeren.
4.5. Naar huidig recht zijn mitsdien in casu de deelgenoten uitsluitend gezamenlijk bevoegd tot het aannemen van de levensverzekeringsuitkering.
4.6. Ten aanzien van de aard van de handeling stelt eiseres nog dat het innen van een uitkering als de onderhavige een handeling van gewoon beheer betreft. De rechtbank vat deze stelling aldus op dat volgens eiseres art. 3:170 lid 1 BW van toepassing is, nu aldaar wordt bepaald welke handelingen door deelgenoten zonodig zelfstandig verricht kunnen worden. Deze stelling moet worden verworpen nu duidelijk uit de tekst van het tweede lid van voornoemd artikel blijkt dat in het geval van aannemen van aan de gemeenschap verschuldigde prestaties, zoals in casu het geval is, de deelgenoten gezamenlijk bevoegd zijn.
Uitzondering op de regel van gezamenlijke bevoegdheid is enkel mogelijk indien tussen deelgenoten onderling een afwijkende regeling als bedoeld in art. 3:168 BW geldt. Hiervan is in deze zaak echter niets gesteld noch gebleken.
4.7. Eiseres beroept zich tenslotte nog op inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer. Gedaagde kan echter bezwaarlijk tegengeworpen worden dat zij reeds bij haar aanwezige wetenschap over de positie van eiseres aanwendt bij het vaststellen van haar uitkeringsplicht. Indien gedaagde hoewel dat wetende, toch zou uitbetalen, zou zij een eventueel beroep op de goede trouw krachtens art. 6:15, lid 3, BW verliezen en derhalve niet geheel aan haar verplichtingen hebben voldaan. De wettelijke regeling verplicht degene die een uitkering als de onderhavige moet doen zich in enige in mate te (laten) informeren omtrent de mogelijkheid dat deze in een gemeenschap valt.
(enz.)
Cassatiemiddel:
De rechtbank heeft in haar voormelde vonnis, waarvan de inhoud als hier overgenomen en ingelast is te beschouwen, het recht geschonden en/of vormen verzuimd waarvan de niet-inachtneming nietigheid met zich meebrengt, door te overwegen en op grond daarvan recht te doen, als in haar vonnis is weergegeven, zulks om de navolgende, mede in hun onderlinge samenhang te lezen redenen:
1. Ten onrechte althans zonder voldoende begrijpelijke motivering heeft de rechtbank de vordering van Van Tholen tot uitbetaling aan haar op eigen naam als rechthebbende (verzekeringnemer èn begunstigde) op de sinds juli 1992 opeisbare uitkering uit hoofde van de met Nationale-Nederlanden gesloten levensverzekeringsovereenkomst afgewezen. Zie r.o. 4.3.- 4.5 met een beroep op (de wetsgeschiedenis van) art. 3:170 BW. Daartoe heeft de rechtbank geoordeeld dat, waar in confesso was dat dit recht op uitkering valt in de - door het in april 1986 overlijden van haar echtgenoot - ontbonden maar nog niet verdeelde huwelijksgemeenschap, Van Tholen slechts gezamenlijk met de overige deelgenoten (twee kinderen uit een eerder huwelijk van haar overleden echtgenoot) bevoegd is tot het aannemen van die uitkering.
1.1. Aldus oordelend heeft de rechtbank miskend dat - nu als onbetwist vaststaat a. dat Van Tholen bekwaam en bevoegd was om deze overeenkomst aan te gaan en om zichzelf als begunstigde aan te wijzen, en b. dat ingevolge deze overeenkomst de opeisbare uitkering daarom aan haar moet worden uitbetaald - Nationale-Nederlanden door Van Tholen tot nakoming van deze overeenkomst aangesproken, aan deze vordering niet bezwaren kan tegenwerpen die zijn ontleend aan de omstandigheid dat Van Tholen zich bevindt in een ontbonden maar nog niet verdeelde huwelijksgemeenschap, en in dit verband met name aan art. 3:170, lid 2 BW.
1.2. Uit de wetsgeschiedenis van art. 3:170, lid 2 BW blijkt niet dat beoogd is te breken met de voordien geldende rechtsregels, zoals o.a. geformuleerd in HR 3 febr. 1967, NJ 1967, 441 en HR 27 april 1973, NJ 1975, 223, althans niet voor een geval als het onderhavige waarin de huwelijksgemeenschap is ontbonden door de dood van de echtgenoot die noch de verzekeringnemer noch de begunstigde was.
1.3. Ook al is tussen partijen in confesso dat het recht op de uitkering in de gemeenschap valt, zulks brengt niet zonder meer met zich mee dat in de verhouding tot Nationale-Nederlanden de litigieuze prestatie in de zin van art. 3:170, lid 2 "aan de gemeenschap verschuldigd" is, nu de gemeenschap niet als zodanig jegens Nationale-Nederlanden is getreden in de plaats van Van Tholen als verzekeringnemer/contractpartij respectievelijk als begunstigde/schuldeiser.
1.4. Voorts is onjuist althans in de gegeven omstandigheden onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd de afwijzing in r.o. 4.6 van de stelling van Van Tholen dat zij de voorgenomen inning als "handeling van gewoon beheer" zelfstandig mocht verrichten. Immers, "een uitzondering op de regel van gezamenlijke (innings)bevoegdheid" kan mede op lid 1 van art. 3:170 worden gegrond, en is nìet "enkel mogelijk indien tussen deelgenoten onderling een afwijkende regeling als bedoeld in art. 3:168 BW geldt". Directe inning van een uitkering door de verzekeringsnemer/begunstigde zelf, zoals voorgenomen door Van Tholen dient, althans kan dienen "tot gewoon onderhoud of behoud van een gemeenschappelijk goed", mede omdat het eerst moeten verkrijgen van de medewerking van de overige deelgenoten licht tot uitstel en dus tot onnodige schade kan leiden.
2. Ten onrechte althans zonder voldoende begrijpelijke motivering heeft de rechtbank in haar r.o. 4.4 en r.o. 4.7 beslissende betekenis toegekend aan het bepaalde in art. 6:15 lid 3 BW dat volgens de rechtbank zou zijn opgenomen ter bescherming van de schuldenaar tegen een al te rigide werking van (haar opvatting van) de regeling van art. 3:170 lid 2 BW.
2.1. Aldus oordelend heeft de rechtbank miskend dat art. 6:15 BW niet ziet op het geval, zoals in casu, dat de overeenkomst waaruit de verschuldigde prestatie voortvloeit (in casu de uitkering uit de levensverzekeringsovereenkomst), door de schuldenaar (in casu Nationale-Nederlanden) van meet af aan slechts met één wederpartij (in casu Van Tholen) is gesloten die uit dien hoofde (in casu na aanwijzing van zichzelf als begunstigde) ook als enige schuldeiser werd, ongeacht diens toenmalige huwelijksgoederenregime. Door het overlijden van haar echtgenoot hebben de twee overige deelgenoten van Van Tholen niet de hoedanigheid van contractpartij, van begunstigde krachtens de polis of van schuldeiser van Nationale-Nederlanden verkregen.
2.2. Voorts kan aan lid 3 van art. 6:15 BW geen argument ontleend worden voor de stelling dat Nationale-Nederlanden bevrijdend aan Van Tholen zou kunnen betalen, mits zij niet wist noch behoefde te weten dat de uitkering in een gemeenschap viel. Immers Nationale-Nederlanden heeft in casu indertijd nìet "een overeenkomst met de deelgenoten gesloten" maar slechts met Van Tholen, en anderzijds was toen de huwelijkse staat en het huwelijksgoederenregime van Van Tholen rechtens voor Nationale-Nederlanden niet relevant.
3. Onjuist althans onvoldoende begrijpelijk is voorts de wijze waarop de rechtbank in r.o. 4.7 het beroep van Van Tholen op bescherming van haar persoonlijke levenssfeer afdoet.
3.1. Immers, nog daargelaten dat ook Nationale-Nederlanden gesteld heeft het maatschappelijk onwenselijk te vinden dat zij aldus door de bestaande wetgeving gedwongen wordt zich te verdiepen in de persoonlijke levenssfeer van haar contractant en/of zich te mengen in de onderlinge verhouding tussen deelgenoten in een ontbonden huwelijksgemeenschap, voor zo'n onderzoek of inmenging - door de rechtbank omschreven met "zich in enige mate (laten) informeren" - bestaat rechtens geen dwingende grond of aanleiding.
3.2. Zulks klemt temeer/althans nu niet is gesteld of gebleken dat (Nationale-Nederlanden wist of aanleiding had te veronderstellen dat) Van Tholen niet bereid zou zijn om de litigieuze uitkering naar behoren met haar overige deelgenoten te verdelen, zodat het (ook daarom) niet aan Nationale-Nederlanden was om langs deze weg een waarborg daartoe voor de overige deelgenoten te creëren.
3.3. Voor zover de rechtbank bedoeld mocht hebben of overigens verondersteld zou worden dat art. 6:34 lid 1 BW wèl een - in het belang van bevrijdende betaling door een schuldenaar als Nationale-Nederlanden - dwingende aanleiding of grond biedt voor zodanig onderzoek of inmenging, zou dat getuigen van een onjuiste rechtsopvatting omtrent hetgeen art. 6:34 lid 1 BW in verband met art. 3:170 lid 2 BW voor een geval als het onderhavige aan onderzoek van de schuldenaar vergt; een en ander zowel met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer als met het oog op het belang van een efficiënt betalingsverkeer.
3.4. Door in r.o. 4.7. te spreken van "zich in enige mate te (laten) informeren omtrent de mogelijkheid dat deze (de uitkering) in een gemeenschap valt" geeft de rechtbank op een rechtens ontoelaatbaar vage wijze aan wat naar het oordeel deze informatieplicht inhoudt. Met name wordt niet duidelijk of (in het algemeen) voldoende is dat de verzekeraar bij degene, die om uitbetaling van de uitkering verzoekt, informeert of de uitkering in een gemeenschap valt, dan wel dat (in het algemeen) vereist is dat de verzekeraar informatie daarover inwint of laat inwinnen bij de relevante openbare registers.
Hoge Raad:
1. Het geding in feitelijke instantie
Eiseres tot cassatie - verder te noemen: Van Tholen - heeft bij exploit van 13 nov. 1992 verweerster in cassatie - verder te noemen: Nationale-Nederlanden - op verkorte termijn gedagvaard voor de Rechtbank te Rotterdam en gevorderd te verklaren voor recht dat Nationale-Nederlanden gehouden is het rechtsgeldig overeengekomen beding, houdende aanwijzing van Van Tholen als begunstigde, na te komen jegens haar en tegen finale kwijting aan haar te betalen de opeisbare en verschuldigde uitkering uit de onderhavige overeenkomst van levensverzekering zonder dat de deelgenoten in de ontbonden en onverdeelde huwelijksgemeenschap daarin betrokken (behoeven te) worden.
Nadat Nationale-Nederlanden tegen de vordering verweer had aangevoerd, heeft de Rechtbank bij vonnis van 22 jan. 1993 aan Van Tholen haar vordering ontzegd.
(...)
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Van Tholen heeft met de rechtsvoorganger van Nationale-Nederlanden een overeenkomst van levensverzekering gesloten, met als ingangsdatum 1 juli 1966 en als einddatum 1 juli 1992. Van Tholen is verzekeringneemster, verzekerde en begunstigde voor de uitkering bij in leven zijn op 1 juli 1992. De per 1 juli 1992 opeisbare en verschuldigde uitkering bedraagt ƒ 12 543.
(ii) Van Tholen was in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met H. van Tholen. De vorderingsrechten uit de verzekeringsovereenkomst maken deel uit van de door het overlijden van H. van Tholen in 1986 ontbonden huwelijksgoederengemeenschap, die nog niet is verdeeld. Deelgenoten in die gemeenschap zijn Van Tholen en twee kinderen uit een eerder huwelijk van H. van Tholen.
(iii) Van Tholen vordert in het onderhavige geding betaling aan haar op eigen naam van de onder (i) bedoelde uitkering. Nationale-Nederlanden heeft die vordering bestreden, waartoe zij onder meer heeft aangevoerd dat krachtens art. 3:170 lid 2 BW in verbinding met de art. 189 lid 2 en 166 het innen van een aan een gemeenschap verschuldigde uitkering een beheersdaad is, waartoe slechts de deelgenoten te zamen bevoegd zijn. Zij kan derhalve slechts aan de deelgenoten gezamenlijk bevrijdend betalen, en niet aan Van Tholen, die betaling op eigen naam en voor zichzelf verlangt.
3.2. De rechtbank heeft de vordering van Van Tholen afgewezen. Daartoe heeft zij overwogen, kort samengevat, dat de uit de wetsgeschiedenis van art. 3:170 blijkende bedoeling van de wetgever de deelgenoten te beschermen meebrengt dat "in casu de deelgenoten slechts gezamenlijk bevoegd (zijn) tot het aannemen van de levensverzekeringsuitkering". Tegen een al te rigide werking van deze regel wordt, aldus de rechtbank, de schuldenaar beschermd door art. 6:15 lid 3. De rechtbank verwerpt voorts de stelling van Van Tholen dat het innen van een uitkering als de onderhavige een daad van gewoon beheer is. Een uitzondering op de regel van gezamenlijke bevoegdheid is, aldus de rechtbank, enkel mogelijk in geval van een afwijkende regeling als bedoeld in art. 3:168, waarvan in deze zaak niet is gebleken. De rechtbank wijst tenslotte ook het beroep van Van Tholen op bescherming van haar persoonlijke levenssfeer van de hand: de wettelijke regeling verplicht degene die een uitkering als de onderhavige moet doen, zich in enige mate te (laten) informeren over de mogelijkheid dat deze in de gemeenschap valt.
Tegen een en ander keert zich het middel met rechts- en motiveringsklachten.
3.3.1. Onderdeel 1 bestrijdt in zijn onderscheiden subonderdelen de r.o. 4.4-4.5 van het vonnis, waarin de rechtbank tot het oordeel komt dat Van Tholen slechts gezamenlijk met de overige deelgenoten bevoegd is tot het aannemen van de uitkering.
3.3.2. Bij de beoordeling van dit onderdeel moet worden vooropgesteld dat, nu het hier gaat om een recht op uitkering dat in de gemeenschap valt (zie 3.1 onder (ii)), sprake is van een "aan de gemeenschap verschuldigde prestatie" als bedoeld in art. 3:170 lid 2. Anders dan subonderdeel 1.3 betoogt is hiervoor niet vereist dat de gemeenschap als zodanig jegens Nationale-Nederlanden als contractpartij resp. als schuldeiser in de plaats van Van Tholen is getreden. Dit subonderdeel faalt derhalve.
3.3.3. In zijn arrest van 3 febr. 1967, NJ 1967, 441, heeft de Hoge Raad onder meer overwogen, samengevat weergegeven, dat ingeval een in enige gemeenschap van goederen gehuwde met een derde een overeenkomst heeft gesloten houdende een beding, waarbij hij zichzelf heeft aangewezen als de persoon aan wie ingevolge de overeenkomst te verrichten betalingen moeten worden gedaan, de derde aan een vordering van zijn wederpartij tot betaling niet kan tegenwerpen bezwaren ontleend aan het huwelijksgoederenregime van zijn wederpartij of aan de omstandigheid dat de wederpartij zich bevindt in een ontbonden maar nog niet verdeelde gemeenschap.
De subonderdelen 1.1 en 1.2 strekken ten betoge dat hetzelfde naar huidig recht heeft te gelden, nu uit de wetsgeschiedenis van art. 3:170 niet blijkt dat deze bepaling mede beoogt de blijkens dat arrest op dit stuk voordien geldende rechtsregels te ontkrachten.
Ook deze onderdelen falen, want dit betoog kan niet als juist worden aanvaard. Uit de memorie van antwoord bij art. 3:170 (Parl. Gesch. Boek 3, p. 588 e.v.) blijkt dat voor het opnemen van de regel dat slechts de deelgenoten te zamen bevoegd zijn tot het aannemen van aan de gemeenschap verschuldigde prestaties, doorslaggevend is geweest de gedachte dat aldus wordt voorkomen dat een deelgenoot een vordering zou kunnen innen zonder waarborg dat het aldus geïnde aan de gezamenlijke deelgenoten ten goede zou komen. Gelet op deze uitdrukkelijk uitgesproken bedoeling van de wetgever zou het niet passen een andere regel overeenkomstig genoemd arrest te aanvaarden, met als resultaat dat art. 3:170 voor het geval van een ontbonden huwelijksgemeenschap louter interne werking zou hebben, zodat de schuldenaar bevrijdend aan een deelgenoot in een ontbonden huwelijksgemeenschap zou kunnen betalen, zelfs indien hij wist dat deze jegens de andere deelgenoten niet bevoegd was de betaling te ontvangen.
Anders dan in de toelichting op deze subonderdelen wordt betoogd, nopen de eisen van een vlot betalingsverkeer niet tot het aanvaarden van zodanige andere regel. Aan deze eisen - die niet alleen voor de belangen van de schuldenaar, maar ook voor die van de schuldeiser van betekenis zijn - wordt voldoende recht gedaan door de toepasselijkheid van art. 6:34 lid 1. Aangenomen moet immers worden dat een beding in een overeenkomst waarbij een bepaalde persoon is aangewezen als degene aan wie de ingevolge deze overeenkomst te verrichten betalingen moeten worden gedaan, een "redelijke grond" in de zin van deze wetsbepaling oplevert, waarop de schuldenaar zonder tot enig nader onderzoek te zijn gehouden mag afgaan, en dat hij, zulks doende, bevrijdend heeft betaald, ook als deze persoon achteraf blijkt toen deelgenoot in een ontbonden huwelijksgemeenschap te zijn geweest. Dit is slechts anders wanneer de schuldenaar ten tijde van die betaling wist of op grond van een tijdige mededeling van de andere deelgenoot of diens erfgenamen had behoren te begrijpen dat degene die door het beding is aangewezen, jegens die anderen niet tot het ontvangen van de betaling bevoegd was.
3.3.4. Voor zover subonderdeel 1.4 berust op de opvatting dat het ontvangen van betaling een handeling is die naar haar aard ingevolge art. 3:170 lid 1 door ieder van de deelgenoten zelfstandig kan worden verricht, faalt het, omdat deze opvatting zich niet laat verenigen met de in lid 2 van dat artikel neergelegde regel. Voor zover het subonderdeel inhoudt dat in het onderhavige geval zelfstandige inning door Van Tholen dient, althans kan dienen tot "gewoon onderhoud of behoud van een gemeenschappelijk goed", omdat het verkrijgen van medewerking van de overige deelgenoten tot uitstel en dus tot onnodige schade kan leiden, doet het een beroep op omstandigheden die niet eerder in feitelijke aanleg zijn aangevoerd en die zouden nopen tot een onderzoek van feitelijke aard waarvoor in cassatie geen plaats is. Ook in zoverre is het subonderdeel tevergeefs voorgesteld.
3.4. Zoals hiervoor reeds aangegeven, heeft de rechtbank overwogen in r.o. 4.4, en daarop voortbouwend in r.o. 4.7 dat de schuldenaar in art. 6:15 lid 3 bescherming vindt tegen de "al te rigide werking" van haar blijkens het vorenoverwogene tevergeefs bestreden uitleg van art. 3:170 lid 2.
Aldus overwegende heeft de rechtbank evenwel miskend dat de door art. 6:15 lid 3 geboden bescherming moet worden gezien in verband met de vraag waarop dat artikel betrekking heeft, te weten of, ingeval een prestatie aan twee of meer schuldeisers is verschuldigd, ieder van hen een vorderingsrecht voor een deel heeft, dan wel zij gezamenlijk één vorderingsrecht hebben. Deze bepaling heeft derhalve geen betrekking op de vraag of in een geval als het onderhavige de schuldenaar aan één van de deelgenoten in een ontbonden huwelijksgemeenschap, dan wel slechts aan hen gezamenlijk kan betalen. Onderdeel 2, dat erover klaagt dat de rechtbank ten onrechte art. 6:15 lid 3 toepasselijk heeft geoordeeld, is derhalve gegrond. Het kan evenwel niet tot cassatie leiden, aangezien de bescherming die de rechtbank terecht noodzakelijk heeft geoordeeld, gevonden moet worden in toepasselijkheid van art. 6:34 lid 1, zoals dat blijkens het hiervoor overwogene voor een geval als het onderhavige moet worden verstaan.
3.5. Onderdeel 3 bevat in zijn onderscheiden subonderdelen klachten over de wijze waarop de rechtbank het beroep van Van Tholen op bescherming van haar persoonlijke levenssfeer heeft afgedaan. Nu in de hiervoor als juist aanvaarde uitleg art. 3:170 lid 2 in verbinding met art. 6:34 lid 1 voor een geval als het onderhavige de schuldenaar niet noopt tot een onderzoek dat inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van een deelgenoot in een ontbonden huwelijksgemeenschap, heeft Van Tholen bij deze klachten geen belang. Het onderdeel kan derhalve niet tot cassatie leiden.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt Van Tholen in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Nationale-Nederlanden begroot op ƒ 507,20 aan verschotten en ƒ 3 000 voor salaris.

[Mening] Conclusie A.G. mr. De Vries Lentsch-Kostense:
Inzet van het geding
1. In deze procedure (door partijen aangeduid als een proefprocedure) gaat het om de vraag in hoeverre de door Uw Raad bij arrest van 3 febr. 1967, NJ 1967, 441, gevestigde jurisprudentie haar gelding heeft behouden na de inwerkingtreding van het huidige BW, en met name van art. 3:170 lid 2. De rechtbank heeft deze vraag ontkennend beantwoord; partijen zijn eenstemmig in hun oordeel dat zulks ten onrechte is geschied.
Feiten en verloop van het geding
2. Eiseres tot cassatie, Van Tholen, heeft in 1966 met de rechtsvoorganger van verweerster in cassatie, Nationale-Nederlanden, een overeenkomst van levensverzekering gesloten met als ingangsdatum 1 juli 1966, en als einddatum 1 juli 1992. Van Tholen is zowel verzekeringsneemster, als verzekerde en begunstigde voor de uitkering bij in leven zijn op 1 juli 1992. De per 1 juli 1992 opeisbare en verschuldigde uitkering bedraagt ƒ 12 543.
Van Tholen was - in tweede echt - in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met H. van Tholen. Door diens overlijden in 1986 is de huwelijksgemeenschap ontbonden. Deze ontbonden gemeenschap is niet verdeeld; zij omvat mede de vorderingsrechten uit de overeenkomst van levensverzekering. Deelgenoten in de ontbonden gemeenschap zijn Van Tholen en twee kinderen uit een eerder huwelijk van H. van Tholen. Van Tholen heeft op eigen naam en voor zichzelf uitbetaling van de op 1 juli 1992 opeisbare en verschuldigde uitkering gevraagd. Nationale-Nederlanden heeft uitbetaling op die voet geweigerd, aanvoerende dat art. 3:170 lid 2 jo. art. 3:189 lid 2 en art. 6:15 BW tot de conclusie dwingen dat zij slechts tegen finale kwijting kan uitbetalen aan Van Tholen en de deelgenoten gezamenlijk, althans aan Van Tholen mits deze daarbij mede bevoegd uit naam van de andere deelgenoten handelt.
3. Bij dagvaarding van 13 nov. 1992 heeft Van Tholen Nationale-Nederlanden op verkorte termijn gedagvaard voor de Rechtbank te Rotterdam en gevorderd "te verklaren voor recht dat Nationale-Nederlanden gehouden is het rechtsgeldig overeengekomen beding, houdende aanwijzing van Van Tholen als begunstigde, na te komen jegens haar en tegen finale kwijting aan haar te betalen de opeisbare en verschuldigde uitkering uit de onderhavige overeenkomst van levensverzekering zonder dat de deelgenoten in de ontbonden en onverdeelde huwelijksgemeenschap daarin betrokken (behoeven te) worden".
Van Tholen heeft daartoe gesteld dat zij tegenover Nationale-Nederlanden op eigen naam en voor zichzelf uitbetaling van de uitkering uit de levensverzekering kan vorderen hoezeer de (vorderings)rechten uit de overeenkomst van levensverzekering ook deel uitmaken van de ontbonden huwelijksgemeenschap. Het verweer van Nationale-Nederlanden dat zij ingevolge de art. 3:170 lid 2 jo. 3:189 lid 2 en 6:15 BW slechts tegen finale kwijting aan de deelgenoten in de ontbonden en onverdeelde huwelijksgemeenschap gezamenlijk kan betalen en niet aan Van Tholen op eigen naam, is door Van Tholen bestreden met een beroep op het onder 1 reeds genoemde arrest van Uw Raad van 3 febr. 1967, inhoudende - kort gezegd - dat de verzekeraar bij de uitbetaling van een uitkering alleen te maken heeft met de begunstigde, en dat de tussen de deelgenoten "onderling bestaande verhoudingen, voortspruitende uit hun huwelijksgoederenregime of uit het ontbonden zijn van hun huwelijksgoederengemeenschap, hem in zoverre niet raken".
Van Tholen heeft voorts gesteld dat het innen van een uitkering een handeling van "gewoon beheer" is waartoe ieder der deelgenoten op grond van art. 3:170 lid 1 BW zo nodig zelfstandig bevoegd is, alsmede dat het maatschappelijk onaanvaardbaar is en een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van een eisende partij, indien een gedaagde partij, voordat zij overgaat tot uitbetaling, zich gaat verdiepen in mogelijke huwelijksvermogensrechtelijke beletselen.
4. De rechtbank heeft Van Tholens stellingen verworpen en de vordering afgewezen bij vonnis van 22 jan. 1993.
5. Tegen dit vonnis heeft Van Tholen cassatieberoep ingesteld op de voet van art. 398 lid 2 Rv.
Nationale-Nederlanden heeft geconcludeerd tot referte. Beide partijen hebben de zaak van een schriftelijke toelichting voorzien.
Het cassatiemiddel
Middelonderdelen 1.1, 1.2 en 1.3; heeft het arrest van Uw Raad van 3 febr. 1967, NJ 1967, 441 zijn gelding behouden onder vigeur van het huidige recht en met name van art. 3:170 lid 2 BW?
Inleiding
6. Alvorens in te gaan op het door Van Tholen en Nationale-Nederlanden gehouden betoog, geef ik eerst weer wat Uw Raad in meergenoemd arrest overwoog, hoe in de literatuur op die uitspraak is gereageerd en wat de regeling van het huidige recht inhoudt. Aangezien het thans aan Uw Raad voorgelegde probleem veel aandacht heeft gekregen, ontkom ik niet aan een tamelijk lang betoog.
7. Uw Raad overwoog in het arrest van 3 febr. 1967 met betrekking tot een geval waarin de levensverzekeraar uitkering aan de begunstigde met een beroep op diens onbevoegdheid weigerde omdat de vordering uit de levensverzekering behoorde tot een ontbonden en nog niet verdeelde huwelijksgemeenschap:
"dat te dezen zich voordoet het geval, dat een in enige gemeenschap van goederen gehuwde met een derde een overeenkomst heeft gesloten houdende een beding, waarbij hij zich zelf heeft aangewezen als de persoon aan wie de ingevolge de overeenkomst te verrichten betalingen moeten worden gedaan, terwijl zijn bekwaamheid en bevoegdheid om de overeenkomst met dit beding aan te gaan niet in geschil is;
dat in zodanig geval de derde, door zijn wederpartij tot nakoming van de overeenkomst aangesproken, aan deze vordering niet kan tegenwerpen bezwaren ontleend aan het huwelijksgoederenregime van zijn wederpartij of aan de omstandigheid dat - gelijk in casu - de wederpartij, nadat inmiddels de goederengemeenschap waarin deze was gehuwd is ontbonden, zich met de echtgenoot of gewezen echtgenoot nog bevindt in een gemeenschap die niet is gescheiden en gedeeld;
dat immers de derde het in de rechtsgeldig gesloten overeenkomst opgenomen beding houdende aanwijzing van de persoon jegens wie hij aan zijn verplichtingen zal hebben te voldoen, heeft na te leven, en de tussen de echtelieden of gewezen echtelieden onderling bestaande verhoudingen, voortspruitende uit hun huwelijksgoederenregime of uit het ontbonden zijn van hun huwelijksgoederengemeenschap, hem in zoverre niet raken;".
8. Aan de betekenis van dit arrest voor het oude recht is in de literatuur veel aandacht besteed; het arrest heeft algemene bijval gekregen. Ik verwijs hier - vanzelfsprekend zonder volledigheid te willen pretenderen - naar:
- H.C.F. Schoordijk, WPNR 4957 (1967), p. 304/305
- E.A.A. Luijten, WPNR 5096 (1970), p. 422
- P.W. van der Ploeg, WPNR 5097 (1970), p. 429/430
- De Bruijn-Soons-Kleijn, Het Nederlands Huwelijksvermogensrecht, 1972, p. 206
- M.J.A. van Mourik, Handboek voor het Nederlands vermogensrecht bij echtscheiding, 1983, p. 150
- Klaassen-Eggens-Luijten, Huwelijksgoederen- en Erfrecht, Eerste gedeelte, 1984, p. 161
- Asser-De Ruiter-Moltmaker II, 1986, nr. 284
- A.J.M. Nuytinck, Bevoegdheid van echtgenoten in het huwelijksvermogensrecht, 1987, p. 22/23
- Asser-Meijers-Van der Ploeg, 1988, nr. 378
- Pitlo-Van der Burght-Rood-de Boer, 1989, p. 251/252
- L.C. Bijl, WPNR 5905 (1989), p. 114
9. Uw arrest wordt in de hiervoor genoemde literatuur algemeen gezien als een door de eisen van het rechtsverkeer gerechtvaardigde inbreuk op de algemene regels inzake het bestuur van de ontbonden doch nog niet verdeelde gemeenschap. Als ik het goed zie was men voor het oude recht voordien vrij eenstemmig van oordeel dat de deelgenoten in een ontbonden gemeenschap slechts gezamenlijk bestuursbevoegd en derhalve ook slechts tezamen inningsbevoegd zijn (voor zover de inning niet kan worden beschouwd als daad van gewoon beheer, waartoe de deelgenoten ieder afzonderlijk bevoegd zijn), zij het dat de meningen waren verdeeld met betrekking tot de reikwijdte van art. 1335 oud BW; men nam aan dat deze bepaling in ieder geval voor de nalatenschap meebracht dat elke deelgenoot voor zijn aandeel inningsbevoegd was.
Door een aantal van de bovengenoemde schrijvers wordt aangenomen dat de door Uw Raad geformuleerde regel alleen geldt voor gevallen waarin sprake is van een rechtsgeldig beding houdende aanwijzing van de persoon jegens wie de debiteur aan zijn verplichtingen zal hebben te voldoen. Het gaat hier om Van der Ploeg (WPNR 5097) en - zij het minder expliciet - De Bruijn-Soons-Kleijn.
Door de meeste schrijvers wordt echter aangenomen dat aan de door Uw Raad in genoemd arrest geformuleerde regel een algemene betekenis moet worden toegekend; zij verdedigen de opvatting dat ingevolge Uw uitspraak de deelgenoot die voor de ontbinding van de huwelijksgemeenschap met de derde contracteerde steeds - voor het geheel - inningsbevoegd is. Daarbij wordt er veelal op gewezen dat deze deelgenoot de contractant van de wederpartij is, en dat deze eigenschap niet door de andere deelgenoot wordt verkregen hoezeer het vorderingsrecht ook in de gemeenschap valt.
10. Uw uitspraak en de daarbij gemaakte inbreuk op de regels van de bestuursbevoegdheid bij de ontbonden huwelijksgemeenschap is - ik merkte dat reeds op - met name onderschreven met een beroep op de eisen van het rechtsverkeer (een vlot betalingsverkeer) en de bescherming van de debiteur.
Nadat Uw arrest was gewezen werd bij Gewijzigd Ontwerp art. 3.7.1.6 onder meer vervangen door een nieuw art. 3.7.1.3a, het huidige art. 3:170. Deze bepalingen geven een regeling met betrekking tot de inningsbevoegdheid van de deelgenoten ten aanzien van vorderingen die in de gemeenschap vallen; deze regeling geldt voor de ontbonden huwelijksgemeenschap en de nalatenschap.
Art. 3.7.1.6 bepaalde dat de inningsbevoegdheid als hoofdregel aan ieder der deelgenoten zelfstandig toekomt.
In art. 3.7.1.3a, het huidige art. 3:170, werd echter voor een geheel ander uitgangspunt gekozen; bepaald werd in het tweede lid dat tot het aannemen van aan de gemeenschap verschuldigde prestaties, slechts de deelgenoten tezamen bevoegd zijn, tenzij een regeling anders bepaalt of het aannemen van bedoelde prestaties een handeling is die geen uitstel kan lijden, in welk geval ieder der deelgenoten - krachtens het eerste lid - de handeling zo nodig zelfstandig kan verrichten. Bij deze regeling stond niet het belang van een vlot betalingsverkeer en de bescherming van de debiteur op de voorgrond, doch de bescherming van de deelgenoten tegen elkaar. Ik citeer hier uit de Memorie van Antwoord (M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 588 en 589):
"Het is niet gewenst dat de bevoegdheid tot dit aannemen als hoofdregel aan ieder van de deelgenoten zelfstandig toekomt, zoals uit artikel 3.7.1.6 kon worden afgeleid. Aldus zou behoudens bijzondere voorzieningen, die vaak zullen ontbreken, immers b.v. iedere erfgenaam tot inning van alle tot de nalatenschap behorende vorderingen voor het geheel kunnen overgaan, zonder dat enige waarborg zou bestaan dat het aldus geïnde aan de gezamenlijke deelgenoten ter verdeling zou worden afgedragen. En hetzelfde zou gelden in geval van een ontbonden huwelijksgemeenschap hetgeen vooral bedenkelijk zijn kan, indien de gemeenschap zou zijn ontbonden door echtscheiding of door scheiding van tafel en bed en dus de verhouding tussen de voormalige echtelieden waarschijnlijk slecht zal zijn. Ingevolge het onderhavige artikel zijn tot de inontvangstname thans alleen de deelgenoten tezamen bevoegd. Dit is slechts anders, wanneer een regeling als bedoeld in artikel 2 dit bepaalt, b.v. doordat zij het beheer aan één der deelgenoten opdraagt, of wanneer het aannemen geen uitstel kan lijden en dientengevolge het eerste lid van het onderhavige artikel van toepassing is. Een regeling als boven bedoeld kan ook voortvloeien uit de overeenkomst tussen de deelgenoten en de schuldenaar, waaruit de gemeenschappelijke vordering voortspruit en die met name kan meebrengen dat de schuldenaar bevoegd is het verschuldigde aan ieder van de deelgenoten te voldoen."
De vraag dringt zich dan ook op of Uw uitspraak van 3 febr. 1967 zijn gelding heeft behouden onder vigeur van het nieuwe recht.
11. Deze vraag is met name door de volgende schrijvers beantwoord:
- W.M.A. Kalkman, Het Verzekerings-archief 1990, p. 79/81
- W.M.A. Kalkman, Levensverzekering en notariaat, Preadvies Koninklijke Notariële Broederschap 1992, p. 32; zie ook het Verslag van de vergadering, p. 11/13 en p. 43/51 waar is weergegeven wat ter vergadering over de onderhavige kwestie is gezegd door:
- Kalkman, G.J.C. Lekkerkerker en C.A. Kraan
- B.C. de Die en P. Neleman, Het belang van de Boeken 3 en 6 BW voor het Personen- en Familierecht, Preadvies Vereniging voor Familie- en Jeugdrecht en Koninklijke Notariële Broederschap 1992, p. 74/76
- Asser-De Ruiter-Moltmaker, 1992, nrs. 313 en 363
- W.J.M. van Veen, De Levensverzekering, 1992, p. 104/105
- M.J.A. van Mourik, WPNR 6067 (1992), p. 763 e.v.
- Pitlo-Van der Burght-Rood-de Boer, 1993, p. 236/237
- C.A. Kraan, Het nieuwe huwelijksvermogensrecht, 1993, p. 64
- losbladige editie Personen- en familierecht (Hidma), art. 100, aant. 2.
12. Evenbedoelde vraag wordt vrij algemeen, zij het niet unaniem, ontkennend beantwoord met een beroep op de wetsgeschiedenis, en met name op de hiervoor geciteerde passage uit de memorie van antwoord. Het tot de gemeenschap behorende vorderingsrecht wordt dan beschouwd als "een aan de gemeenschap verschuldigde prestatie" in de zin van art. 3:170 lid 2 BW. Zie: Kalkman (VAR, p. 79, Preadvies, p. 32, nt. 44 en Verslag, p. 11), Lekkerkerker (Verslag, p. 45), De Die en Neleman (l.c., p. 74), Van Veen (l.c., p. 104) en Pitlo-Van der Burght-Rood-de Boer (l.c., p. 237).
In Asser-De Ruiter-Moltmaker wordt vermeld dat de uit het arrest van 3 februari te trekken conclusie lijkt te zijn achterhaald (nr. 313). Betoogd wordt voorts (nr. 363) dat uit art. 3:170 lid 2 moet worden afgeleid dat het innen van een vordering een daad van beheer is die in beginsel door de deelgenoten tezamen moet geschieden, behoudens in geval van zaakwaarneming of indien "een regeling anders bepaalt". Vermeld wordt dat de memorie van antwoord bij art. 3:170 veronderstelt dat een regeling als vorenbedoeld ook kan voortvloeien uit de overeenkomst tussen de schuldenaar en de deelgenoot; geconcludeerd wordt dan dat daarvan ook sprake zou kunnen zijn in een geval als bedoeld in Uw arrest van 3 februari. (Met name over deze laatste kwestie kom ik nog te spreken onder nr. 18.)
Van Mourik (l.c.) is van oordeel dat de regeling omtrent de inningsbevoegdheid geen externe werking heeft; een schuldenaar behoeft zich naar zijn oordeel dan ook niet te bekommeren om de vraag of de vordering van zijn schuldeiser wellicht tot een gemeenschap behoort. Overigens lijkt Van Mourik, als ik het goed begrijp, van oordeel te zijn dat de debiteur zich niet om die vraag behoeft te bekommeren omdat zijn goede trouw wordt beschermd; die goede trouw is in de visie van Van Mourik zonder meer aanwezig ingeval de debiteur aan zijn crediteur betaalt zonder te weten dat de vordering tot een ontbonden huwelijksgemeenschap behoorde. Dit impliceert naar mijn oordeel dat ook Van Mourik niet voor een geheel onverkorte toepassing van Uw arrest pleit. Hidma (l.c.) vermeldt dat Van Mourik op goede gronden van oordeel is dat art. 3:170 geen externe werking heeft.
Kraan (Het nieuwe huwelijksvermogensrecht, p. 64 en Verslag, p. 46/47) stelt voorop dat Uw Raad in het arrest van 3 februari de regels van het huwelijksvermogensrecht terzijde heeft geschoven ter wille van de rechtszekerheid en de bescherming van de wederpartij; naar zijn minderheidsoordeel geldt deze ratio en daarmee ook Uw arrest nog onverkort voor het huidige recht.
13. De debiteur die betaalt aan de inmiddels niet meer zelfstandig tot innen bevoegde crediteur/begunstigde, vindt wel bescherming in art. 6:34 lid 1 "indien hij op redelijke gronden heeft aangenomen dat de ontvanger der betaling als schuldeiser tot de prestatie gerechtigd was of dat uit anderen hoofde aan hem moest worden betaald". Het moge duidelijk zijn dat de debiteur meer bescherming ondervindt naar mate eerder wordt aangenomen dat er op redelijke gronden van is uitgegaan dat aan de ontvanger der prestatie moest worden betaald. Neemt men aan dat de begunstiging zonder meer legitimeert behoudens in geval de verzekeraar op de hoogte is gebracht van de omstandigheid dat de uitkering (mogelijkerwijs) valt in een inmiddels ontbonden huwelijksgemeenschap, dan is er niet veel onderscheid meer tussen het oude en het nieuwe systeem.
14. Inmiddels is het bepaald niet zo dat het meerderheidsstandpunt dat Uw arrest haar gelding heeft verloren, zonder enige reserve wordt gehuldigd.
Door velen wordt gewezen op de ongewenste effecten voor instellingen als banken en levensverzekeringsmaatschappijen die dagelijks vele uitkeringen moeten doen; benadrukt wordt dat van deze instellingen niet kan worden verlangd dat zij steeds nagaan of de uitkering inmiddels in een ontbonden doch nog niet verdeelde huwelijksgemeenschap of in een nalatenschap valt. Met name een verplichting tot het doen van onderzoek in de moeilijk toegankelijke huwelijksgoederenregisters en registers van de Burgerlijke Stand wordt van de hand gewezen. Zie vooral Kalkman (Preadvies, p. 40 e.v. en Verslag, p. 12) die betoogt dat de verzekeraars dringend behoefte hebben aan wetgeving die bepaalt dat de verzekeringnemer in zijn verhouding tot de verzekeraar steeds zelfstandig bevoegd is tot het uitoefenen van de rechten die hij ontleent aan de levensverzekering en dat de begunstigde steeds zelfstandig bevoegd is de verzekerde uitkering te innen.
Anderzijds wordt ook verdedigd dat althans enig onderzoek van verzekeraars wel kan worden verwacht. Zo betoogt Lekkerkerker dat van een levensverzekeringsmaatschappij wel kan worden verlangd dat zij - voordat zij tot uitkering overgaat - bij de begunstigde informeert naar zijn huwelijkse staat en dat zij tevens de begunstigde verzoekt om ook de ex-echtgenoot voor akkoord te laten tekenen, indien althans van enige huwelijksgoederenrechtelijke gemeenschap sprake is. Lekkerkerker wijst er voorts op dat afgesproken kan worden dat de maatschappij afstort op een rekening bij de notaris die de boedel behandelt. Hij concludeert dat het gaat om een keuze tussen een systeem waarin de maatschappijen geen enkele verantwoordelijkheid hebben en een systeem waarin op de maatschappijen toch een zekere zorgplicht wordt gelegd. Naar zijn oordeel is in art. 3:170 voor het laatste systeem gekozen.
In dit verband wijs ik erop dat Kalkman (Preadvies, p. 43 en 44) vermeldt dat de verzekeraar erop bedacht moet zijn dat bepaalde huwelijksvermogensrechtelijke lotgevallen van zijn verzekeringnemer kunnen doorwerken in de contractuele relatie; dit heeft ertoe geleid, aldus Kalkman, dat levensverzekeraars voor beschikkingshandelingen zoals opzegging van de verzekering gevolgd door afkoop, belening, contractoverneming en begunstigingswijziging als gedragslijn zowel de handtekening van de verzekeringnemer als van diens (ex-)echtgenoot of de overige deelgenoten vragen, tenzij de verzekeringnemer aantoont dat hij zelfstandig bevoegd is. Kalkman tekent voorts aan dat de Ombudsman Levensverzekering hierover ten aanzien van de situatie van echtscheiding het volgende heeft gezegd:
"Persoonlijk acht ik de gedragslijn die door de meeste verzekeraars wordt gevolgd het meest redelijk en billijk en in overeenstemming met de sociale verantwoordelijkheid van de levensverzekeringsmaatschappijen. De echtgenote van de verzekeringnemer - en om haar belangen gaat het in de meeste gevallen - wordt door afkoop of wijziging (in de begunstiging, DVL) in haar belangen geschaad. Dit terwijl, naar mijn ervaring bij de klachtbehandeling althans, de echtgenote in de echtscheidingsprocedure toch al vaak de zwakste partij is."
De Die en Neleman (l.c., p. 75 en 76) wijzen erop dat art. 6:34 lid 1 niet de goede trouw in de strikte zin van art. 3:11 BW vereist, doch slechts "het op redelijke gronden" aannemen dat aan de ontvanger der betaling moest worden betaald. Zij zijn van oordeel dat bij lopende "en/of bankrekeningen" en bij periodieke verzekeringsuitkeringen de schuldenaar de bescherming van art. 6:34 "niet zonder meer zal ontberen, als hij onkundig is gebleven van (de inschrijving van) de echtscheiding of scheiding van tafel en bed van zijn schuldeiser".
15. De onderhavige kwestie is inmiddels ook aan de orde gekomen bij de parlementaire behandeling van wetsvoorstel 22 969 inzake Wijziging van de Faillissementswet in verband met de sanering van schulden van natuurlijke personen. In het Voorlopig Verslag (Tweede Kamer, vergaderjaar 1992-1993, 22 969, nr. 5, p. 6 e.v.) is door de leden van de CDA-, PvdA-, VVD-, D66- en SGP-fractie gevraagd in te gaan op de als "onbedoeld" gekwalificeerde effecten van art. 3:170 BW. In de memorie van antwoord van 22 dec. jl. (Tweede Kamer, vergaderjaar 1993-1994, 22 969, nr. 6, p. 15 en 16) wordt opgemerkt dat de door het Verbond van Verzekeraars opgeworpen kwestie thans reeds aan Uw Raad is voorgelegd (daarbij wordt kennelijk gedoeld op de onderhavige zaak) en dat het in verband daarmee prematuur voorkomt op deze kwestie in te gaan zolang Uw Raad nog geen uitsluitsel heeft gegeven. Daarbij wordt aangetekend dat Uw Raad immers zou kunnen oordelen dat art. 3:170 geen afbreuk doet aan het arrest van 3 febr. 1967. Zou anders geoordeeld worden, dan zou zulks ook gelden voor de uitoefening van een aantal uit de levensverzekeringsovereenkomst voortvloeiende bevoegdheden zoals het recht op het doen afkopen, belening, premievrije voortzetting, het vestigen van een pandrecht en de wijziging van een begunstiging, aldus de minister. Verder wordt opgemerkt dat ook aan Uw Raad is voorgelegd de kwestie of de verzekeraars onderzoek moeten doen naar de vraag of de prestatie verschuldigd is aan een ontbonden en onverdeelde huwelijksgemeenschap, een kwestie die moet worden bezien in het kader van art. 6:34 lid 1 BW. Ook hier wordt het formuleren van een eenduidig antwoord door de minister prematuur geacht. Daarbij wordt echter wel reeds het volgende opgemerkt:
"Een verzekeraar zal naar mijn oordeel evenwel in het algemeen mogen aannemen dat de begunstigde inningsbevoegd is, tenzij hij aanwijzingen heeft van het tegendeel, bij voorbeeld omdat hij weet dat de begunstigde (wiens recht op uitkering in de ontbonden (huwelijks)gemeenschap valt) eerder gehuwd was en dat de ontbinding van de huwelijksgemeenschap (door bij voorbeeld echtscheiding, scheiding van tafel en bed of overlijden van de echtgenoot verzekeringnemer) nog niet lang geleden tot stand kwam, zodat de kans groot is dat de verdeling van de huwelijksgemeenschap nog niet is voltooid. Een verzekeraar die in een dergelijk geval onderzoek wil doen naar de vraag aan wie betaald moet worden, vindt bescherming in artikel 6:37 BW. Hij raakt dan niet in verzuim. Indien de Hoge Raad op de voorgelegde rechtsvraag zou beslissen dat artikel 3:170 inderdaad van toepassing is en dat artikel 6:34 een verdergaande onderzoeksplicht meebrengt en dit een voor het handels- en betalingsverkeer serieus praktisch probleem zou betekenen, dan zal de materie nader door mij worden bezien. Het onderhavige wetsvoorstel is daarvoor niet het geschikte moment."
De middelonderdelen 1.1, 1.2 en 1.3
16. Deze middelonderdelen richten zich tegen de rechtsoverwegingen 4.4 en 4.5 van het bestreden vonnis, waar de rechtbank met een beroep op de wetsgeschiedenis oordeelde dat Van Tholen slechts gezamenlijk met de overige deelgenoten bevoegd is tot het aannemen van de uitkering uit de levensverzekering waar in confesso is dat het recht op de uitkering in casu valt in de door het overlijden van de echtgenoot van Van Tholen ontbonden maar nog niet verdeelde huwelijksgemeenschap. Deze overwegingen luiden als volgt:
"4.4 Het is mitsdien uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever om aldus te voorkomen dat, niet krachtens een directe verbintenis, gerechtigde deelgenoten ten aanzien van een in de gemeenschap vallende prestatie misgrijpen. Om de schuldenaar te beschermen tegen een al te rigide werking van bovengenoemde regeling is artikel 6:15, lid 3, BW opgenomen. Indien de derde, in casu de schuldenaar, niet wist noch behoefde te weten dat de vordering in een gemeenschap viel, wordt hij beschermd als hem wordt tegengeworpen dat hij aan alle deelgenoten tezamen had moeten uitkeren."
4.5 Naar huidig recht zijn mitsdien in casu de deelgenoten uitsluitend gezamenlijk bevoegd tot het aannemen van de levensverzekeringsuitkering.
17 Door Van Tholen wordt betoogd dat Uw arrest van 3 febr. 1967 ook voor het huidige recht zijn gelding heeft behouden (middelonderdeel 1.1), dat uit de wetsgeschiedenis van art. 3:170 BW niet blijkt dat beoogd is te breken met de voordien geldende rechtsregels zoals geformuleerd in Uw arrest van 3 februari, althans niet voor een geval als het onderhavige waarin de huwelijksgemeenschap is ontbonden door de dood van de echtgenoot die noch de verzekeringnemer noch de begunstigde was (middelonderdeel 1.2), en dat het feit dat tussen partijen in confesso is dat het recht op de uitkering in de gemeenschap valt, niet zonder meer met zich brengt dat in de verhouding tot Nationale-Nederlanden de litigieuze prestatie in de zin van art. 3:170 lid 2 "aan de gemeenschap verschuldigd is" nu de gemeenschap niet als zodanig jegens Nationale-Nederlanden is getreden in de plaats van Van Tholen als verzekeringnemer/contractpartij respectievelijk als begunstigde/schuldeiser.
Door Van Tholen wordt gewezen op de grote praktische problemen die een breuk met Uw arrest van 3 febr. 1967 teweeg zou brengen. Aangevoerd wordt dat vrijwel dagelijks door iedere bankinstelling en door iedere (levens)verzekeringsmaatschappij, ieder pensioenfonds en iedere sociale verzekeraar (vele) duizenden betalingen gedaan moeten worden aan hun particuliere crediteuren. Gesteld wordt dat statistisch gezien onvermijdelijk voor elk van deze debiteuren zal gelden dat zij daarbij minstens dagelijks aan een of meer crediteuren voldoen die wegens overlijden of scheiding van hun partner in een onverdeelde, ontbonden huwelijksgemeenschap verzeild zijn geraakt. Betoogd wordt dat het praktisch vrijwel uitgesloten is dat de bank, de verzekeraar etc. voor iedere chartale en girale betaling eerst authentieke zekerheid vraagt omtrent de actuele status van de echtgenoten, niet alleen wegens de daaraan inherente privacy-schending, maar ook wegens het noodzakelijk achterlopen van dergelijke authentieke informatie en de administratieve rompslomp met de daaraan verbonden kostenstijgingen. In dat verband wordt verder nog opgemerkt dat naarmate meer ruimte wordt gegeven voor een beroep op de goede trouw, de deelgenoten in precies dezelfde positie worden gebracht als in het onder vigeur van Uw arrest geldende systeem. Geconcludeerd wordt dat de wetgever - gelet op de omvang en de ernst van de praktische problemen en de kennelijke ontoereikendheid van de veronderstelde oplossingen - eenvoudigweg niet bedoeld kan hebben om te breken met de leer van Uw arrest van 3 febr. 1967. Betoogd wordt dat - in de lijn met Uw arrest - een uitzondering op de regel van art. 3:170 gemaakt moet worden in die zin dat een voor of staande huwelijk bevoegdelijk overeengekomen exclusief betalingsbeding prevaleert boven de regel van de gezamenlijke inningsbevoegdheid van de deelgenoten in een ontbonden maar nog niet verdeelde huwelijksgemeenschap. Noch de tekst van art. 3:170 noch de wetsgeschiedenis verzet zich tegen een dergelijke rechtsverfijning, aldus Van Tholen. Dit betoog wordt in grote lijnen door Nationale-Nederlanden onderschreven.
18. Ik meen dat sprake is van "een aan de gemeenschap verschuldigde prestatie" in de zin van art. 3:170 lid 2 BW indien het recht op de uitkering, zoals in casu, valt in de ontbonden doch nog niet verdeelde huwelijksgemeenschap. Art. 3:170 lid 2 ziet met de omschrijving "aan de gemeenschap verschuldigde prestaties" toch immers juist op vorderingsrechten die in de gemeenschap vallen. Aldus ook: Kalkman, Preadvies, p. 32 en Verslag, p. 47/48; De Die en Neleman, Preadvies, p. 74/75. De vraag of de gemeenschap daarbij tegenover de wederpartij ook de eigenschap van contractpartij heeft verkregen, lijkt mij - anders dan Van Tholen - in dit verband eigenlijk niet doorslaggevend. Beslissend is slechts het antwoord op de vraag of het vorderingsrecht in de gemeenschap valt. Overigens wijs ik in dit verband nog op dat art. 6:15 lid 2 BW, waar is bepaald dat "de schuldeisers" gezamenlijk één vorderingsrecht hebben indien "het recht op de prestatie" in de gemeenschap valt. Dat hier over "schuldeisers" wordt gesproken laat zich mede daardoor verklaren dat deze bepaling is opgenomen in afdeling 3 getiteld "Pluraliteit van schuldeisers" van titel 1 van Boek 6 BW. (Dat het recht op uitkering in casu in de gemeenschap viel is in confesso; dat is reeds meermalen opgemerkt. Ik behoef hier dan ook niet in te gaan op de vraag wanneer zo"n uitkering in de gemeenschap valt. In casu mag in ieder geval niet meespelen de zich wellicht opdringende vraag of de begunstigde meer recht op de uitkering heeft dan de andere deelgenoten.)
Mij lijkt juist gezien de wetsgeschiedenis van art. 3:170 lid 2 (hiervoor uitvoerig belicht) de conclusie gewettigd dat art. 3:170 ook ziet op een geval als het onderhavige, waarin een der deelgenoten als inningsbevoegde is aangewezen bij een voor of staande huwelijk bevoegdelijk overeengekomen betalingsbeding. Daarbij teken ik aanstonds aan dat een dergelijk beding ook in andere contracten dan die met levensverzekeringsmaatschappijen en banken kan worden overeengekomen. Anders dan partijen meen ik dat toepassing van art. 3:170 lid 2 geen onoverkomelijke problemen behoeft op te leveren; naar mijn oordeel moet immers aan een bevoegd overeengekomen betalingsbeding een verstrekkende betekenis worden toegekend in het kader van de regel van art. 6:34 BW. Is een dergelijk beding overeengekomen, dan zal de debiteur naar mijn oordeel in beginsel ervan mogen uitgaan dat de krachtens dat beding inningsbevoegde ook daadwerkelijk die hoedanigheid heeft; betaling aan de begunstigde zal de verzekeraar dan ook in de regel volledig bevrijden. Dit zal naar mijn oordeel slechts anders zijn indien de debiteur weet dat het recht op uitkering inmiddels deel uitmaakt van een ontbonden doch nog niet verdeelde gemeenschap. Dan zal hij naar mijn mening steeds enig nader onderzoek moeten verrichten. Onderzoek in de huwelijksgoederenregisters of de registers van de Burgerlijke Stand kan naar mijn oordeel niet worden verlangd: ik wijs in dit verband op de moeilijke toegankelijkheid van die registers. (Zie daarover Kalkman, Preadvies, p. 41 e.v., met verdere verwijzingen.) Wel kan naar mijn oordeel van debiteuren in het algemeen en ook van banken en levensverzekeraars worden verlangd dat zij in een dergelijk geval nadere informatie inwinnen bij de begunstigde zelf, en dat zij ook de handtekening van de (ex-)echtgenoot van de verzekeringnemer en van de overige deelgenoten vragen, tenzij de verzekeringnemer aantoont dat hij zelfstandig bevoegd is. Vergelijk Lekkerkerker, De Die en Neleman, allen aangehaald onder 14 hiervoor.
Anders dan Kalkman (Verslag, p. 49/50) meen ik dat Uw arrest van 7 febr. 1992, NJ 1992, 809 (m.nt. HJS) niet noodzakelijkerwijs meebrengt dat de wederpartij ook in verhoudingen als de onderhavige niet zou mogen afgaan op de echtheid van de aldus verkregen handtekeningen.
Aanders ook dan Van Tholen meen ik verder dat een bescherming van de wederpartij/debiteur als door mij bepleit, niet tot hetzelfde resultaat leidt als het door Uw Raad in het arrest van 3 febr. 1967 aanvaarde systeem. In dat laatste systeem kan, ja moet, de wederpartij aan de deelgenoot/begunstigde uitbetalen ook al weet hij, bijvoorbeeld via de advocaat van de andere echtgenoot, dat het recht op de uitkering inmiddels in een nog niet verdeelde, ontbonden gemeenschap valt. Dat zou mijns inziens niet stroken met de duidelijke ratio van art. 3:170 lid 2; in die bepaling is immers uitdrukkelijk gekozen voor de bescherming van de echtgenoot- niet contractpartij.
Een uitzondering op de regel dat de deelgenoten slechts tezamen inningsbevoegd zijn, wordt slechts aanvaard ingeval
"een regeling als bedoeld in artikel 2 dit bepaalt, b.v. doordat zij het beheer aan één der deelgenoten opdraagt, of wanneer het aannemen geen uitstel kan lijden en dientengevolge het eerste lid van het onderhavige artikel van toepassing is. Een regeling als boven bedoeld kan ook voortvloeien uit de overeenkomst tussen de deelgenoten en de schuldenaar, waaruit de gemeenschappelijke vordering voortspruit (cursivering DVL) en die met name kan meebrengen dat de schuldenaar bevoegd is het verschuldigde aan ieder van de deelgenoten te voldoen".
Zie de hiervoor (onder 10) geciteerde passage uit de memorie van antwoord. Van een regeling als hier bedoeld zal dan ook geen sprake kunnen zijn indien het gaat om een beding tussen verzekeraar en echtgenoot dat inhoudt dat de verzekeraar uitsluitend aan die echtgenoot hoefde te betalen. Aldus ook De Die en Neleman, Preadvies p. 75, nt. 89 en Pitlo-Van der Burght-Rood-de Boer, p. 236. Enigszins anders kennelijk Asser-De Ruiter-Moltmaker, 1992, nr. 363.
Ik kom hier dan ook tot de conclusie dat de middelonderdelen 1.1, 1.2 en 1.3 geen doel treffen.
Middelonderdeel 1.4; kan de inning door Van Tholen gelden als handeling van gewoon beheer?
19. Dit middelonderdeel is gericht tegen rechtsoverweging 4.6 van het bestreden vonnis, waar wordt overwogen:
"4.6 Ten aanzien van de aard van de handeling stelt eiseres nog dat het innen van een uitkering als de onderhavige een handeling van gewoon beheer betreft. De rechtbank vat deze stelling aldus op dat volgens eiseres artikel 3:170, lid 1, BW van toepassing is, nu aldaar wordt bepaald welke handelingen door deelgenoten zonodig zelfstandig verricht kunnen worden. Deze stelling moet worden verworpen nu duidelijk uit de tekst van het tweede lid van voornoemd artikel blijkt dat in het geval van aannemen van aan de gemeenschap verschuldigde prestaties, zoals in casu het geval is, de deelgenoten gezamenlijk bevoegd zijn. Uitzondering op de regel van gezamenlijke bevoegdheid is enkel mogelijk indien tussen deelgenoten onderling een afwijkende regeling als bedoeld in artikel 3:168 geldt. Hiervan is in deze zaak echter niets gesteld noch gebleken."
20 In dit middelonderdeel wordt betoogd dat door de rechtbank is miskend dat een uitzondering op de regel van de gezamenlijke inningsbevoegdheid mede kan worden gegrond op lid 1 van art. 3:170, inhoudende dat handelingen dienende tot gewoon onderhoud of tot behoud van een gemeenschappelijk goed en in het algemeen handelingen die geen uitstel kunnen lijden, door ieder der deelgenoten zo nodig zelfstandig kunnen worden verricht. In dit verband wordt gesteld dat inning van een uitkering door de verzekeringnemer/begunstigde dient, althans kan dienen, tot gewoon onderhoud of behoud van een gemeenschappelijk goed als bedoeld in art. 3:170 lid 1 mede omdat het eerst moeten verkrijgen van de medewerking van de overige deelgenoten licht tot uitstel en dus tot onnodige schade kan leiden.
21. Voor zover dit middelonderdeel ervan uitgaat dat het innen van de uitkering in het onderhavige geval als daad van gewoon beheer of als handeling die geen uitstel kan leiden moet worden beschouwd omdat het moeten verkrijgen van de medewerking van de overige deelgenoten tot uitstel en schade zal leiden, bevat het een ongeoorloofd novum in cassatie.
Voor zover dit middelonderdeel wil betogen dat het innen van vorderingen in het algemeen moet worden beschouwd als een door de regeling van het eerste lid van art. 3:170 bestreken "daad van gewoon beheer of handeling die geen uitstel kan lijden", wordt miskend dat het innen van vorderingen in het algemeen ingevolge de expliciete bepaling van het tweede lid van art. 3:170 juist niet moet worden beschouwd als daad van gewoon beheer of als handeling die in het algemeen geen uitstel kan lijden.
Middelonderdeel 2; beschermt art. 6:15 lid 3 BW de schuldenaar tegen een al te rigide werking van art. 3:170 lid 2 BW?
22. Middelonderdeel 2 komt in zijn beide subonderdelen op tegen de rechtsoverwegingen 4.4 en 4.7 van het bestreden vonnis, waar de rechtbank "beslissende betekenis heeft toegekend aan het bepaalde in art. 6:15, lid 3 BW, dat volgens de Rechtbank zou zijn opgenomen ter bescherming van de schuldenaar tegen een al te rigide werking van (haar opvatting van) de regeling van art. 3:170, lid 2 BW".
In rechtsoverweging 4.4 stelde de rechtbank vast dat art. 6:15 lid 3 BW de schuldenaar beschermt tegen een al te rigide werking van de regel dat de deelgenoten uitsluitend gezamenlijk bevoegd zijn tot het aannemen van een aan de gemeenschap verschuldigde prestatie. In rechtsoverweging 4.7 constateert de rechtbank dat aan Nationale-Nederlanden bezwaarlijk kan worden tegengeworpen dat zij reeds bij haar aanwezige wetenschap aanwendt bij het vaststellen van haar uitkeringsplicht nu Nationale-Nederlanden een eventueel beroep op de goede trouw van art. 6:15 lid 3 BW zou verliezen indien zij ondanks die wetenschap toch zou uitbetalen.
23. Over dit middelonderdeel kan ik kort zijn.
Terecht wordt betoogd dat art. 6:15 lid 3 de schuldenaar geen bescherming biedt tegen een al te rigide werking van art. 3:170 lid 2 BW. Dat blijkt zonder meer uit de wetsgeschiedenis en de wettekst, luidende:
"Aan de schuldenaar kan niet worden tegengeworpen dat het vorderingsrecht in een gemeenschap valt, wanneer dit recht voortspruit uit een overeenkomst die hij met de deelgenoten heeft gesloten, maar hij niet wist noch behoefde te weten dat dit recht van die gemeenschap ging deel uitmaken."
Het middel kan echter niet tot cassatie leiden nu de door de rechtbank bedoelde bescherming wordt geboden door de art. 6:34 en 6:37 BW. Uit het hiervoor betoogde moge volgen dat ik van oordeel ben dat toepassing van deze artikelen eveneens tot de conclusie had moeten leiden dat Nationale-Nederlanden niet bevrijdend aan Van Tholen kon betalen juist omdat zij in casu wist dat het recht op uitkering in een ontbonden doch nog niet verdeelde gemeenschap viel; in een dergelijk geval kan een beroep worden gedaan op het opschortingsrecht van art. 6:37 BW.
Middelonderdeel 3; is de wijze waarop de rechtbank het beroep van Van Tholen op bescherming van haar persoonlijke levenssfeer afdoet onjuist althans onbegrijpelijk?
24. Dit middelonderdeel komt in al zijn subonderdelen op tegen rechtsoverweging 4.7, waar de rechtbank het volgende overwoog:
"4.7 Eiseres beroept zich tenslotte nog op inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer. Gedaagde kan echter bezwaarlijk tegengeworpen worden dat zij reeds bij haar aanwezige wetenschap over de positie van eiseres aanwendt bij het vaststellen van haar uitkeringsplicht. Indien gedaagde hoewel dat wetende, toch zou uitbetalen, zou zij een eventueel beroep op de goede trouw krachtens artikel 6:15, lid 3, BW verliezen en derhalve niet geheel aan haar verplichtingen hebben voldaan. De wettelijke regeling verplicht degene die een uitkering als de onderhavige moet doen zich in enige mate te (laten) informeren omtrent de mogelijkheid dat deze in een gemeenschap valt."
25. Na al hetgeen in het voorgaande reeds is opgemerkt, kan ik ook hier kort zijn.
Aan Van Tholen kan, althans naar mijn oordeel, worden toegegeven dat de wettelijke regeling van art. 3:170 lid 2 en de art. 6:34 en 37 BW de levensverzekeraar zeker niet in alle gevallen "verplicht" tot het doen van onderzoek naar de vraag of de uitkering wellicht in een inmiddels ontbonden doch nog niet verdeelde huwelijksgemeenschap valt. Voor zover uit de bestreden overweging al valt op te maken dat de rechtbank het bestaan van een dergelijke "verplichting" heeft aangenomen, kan het middel naar mijn oordeel niet tot cassatie leiden nu in casu op Nationale-Nederlanden wel een zekere onderzoeksplicht rustte aangezien zij, zoals de rechtbank overwoog, wist dat het recht op de uitkering in de ontbonden huwelijksgemeenschap viel.
Voorts kan - anders dan het middel kennelijk meent - de rechtbank niet worden verweten dat zij niet is ingegaan op de vraag wat in andere gevallen dan het aan de rechtbank voorgelegde geval precies aan onderzoek kan worden verlangd.
Conclusie
Uit het voorgaande moge volgen dat ik concludeer tot verwerping van het beroep.

Noot:
1. De casus.
Mede uit de (heldere) conclusie van de Adv.-Gen. onderdeel 1 blijkt, dat partijen deze procedure als een proefprocedure beschouwden.
Het betrof hier een (levensverzekerings)overeenkomst, waarbij R, een in algehele gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoot van T, als verzekeringneemster voor zichzelf een uitkering bedong en wel, zo zij dan nog in leven was, op 1 juli 1992. De premies werden door R uit die gemeenschap voldaan. Onomstreden was, dat de uitkering viel in de vóór 1 juli 1992 door het overlijden van T ontbonden gemeenschap, waarin naast K gerechtigd waren (als erfgenamen van T) diens twee kinderen uit een eerder huwelijk.
De centrale vraag was aan wie de verzekeringsmaatschappij NN deze uitkering kwijtend kon voldoen.
2. De uitkering viel in de gemeenschap.
In de wereld van de levensverzekeringen is omstreden of een uitkering materieel wordt toegerekend aan hetzelfde vermogen als waaruit de premies (of koopsom) zijn voldaan (de leer van het afgeleide recht), dan wel toekomt aan de begunstigde privé (de leer van het zelfstandig recht).
Deze kwestie is met name van belang als verzekeringnemer en begunstigde met elkaar in (enige) gemeenschap zijn gehuwd (geweest). Dit probleem speelde hier niet, omdat verzekeringnemer en begunstigde dezelfde persoon was en er dus in deze context geen sprake was van een derdenbeding. De aanspraken van de begunstigde waren dus te beschouwen als een voorwaardelijke vordering, behorende tot de gemeenschap waarin zij bij het aangaan van de levensverzekeringsovereenkomst was gehuwd. Gerechtigd tot de uitkering waren dus K en de twee kinderen van T.
3. Wie zijn gerechtigd een gemeenschapsvordering te innen?
In duidelijke afwijking van het systeem van het oud BW, waarin elke deelgenoot bij een ontbonden huwelijksgemeenschap, een ontbonden vennootschap of een nalatenschap een eigen vorderingsrecht had, ter grootte van zijn aandeel in de totale gemeenschapsvordering, kiest art. 6:15 lid 2 BW thans voor één gezamenlijke aanspraak van alle deelgenoten, als een recht in een gemeenschap valt. In aansluiting daarop kiest art. 3:170 BW voor een uitsluitend aan de deelgenoten tezamen toekomende bevoegdheid om deze rechten uit te oefenen; art. 3:170 lid 2 BW noemt hierbij uitdrukkelijk het aannemen van een aan de gemeenschap toekomende prestatie.
Kortom een gemeenschapsvordering is in beginsel ondeelbaar en slechts gezamenlijk inbaar. Dit, behoudens als het betreft het onderhoud of behoud van een gemeenschappelijk goed of een handeling die geen uitstel kan leiden (art. 3:170 lid 1 BW).
Deze ommezwaai is, blijkens de Parlementaire Geschiedenis, uitdrukkelijk beoogd en wel om de deelgenoten tegen elkaar te beschermen (zie de conclusie van de Adv.-Gen. punt 10 voor vindplaatsen e.d.).
De keerzijde van dit gezamenlijke inningsrecht is, dat de betaling door de debiteur in beginsel slechts kwijtend is, als hij aan de deelgenoten tezamen betaalt. De debiteur is al evenmin gekweten als hij aan één der deelgenoten of aan sommigen der deelgenoten zijn/hun aandeel in de vordering betaalt, want daarvoor zou er dan eerst sprake moeten zijn van een verdeling van de gemeenschappelijke vordering en dáárvoor is medewerking van alle deelgenoten nodig. Een betaling aan elke deelgenoot van diens eigen aandeel werkt dus alleen kwijtend als alle deelgenoten daarmede accoord gaan (art. 3:18 BW) en ook dan nog met het - belangrijke - voorbehoud dat alle deelgenoten het vrije beheer over hun goederen hebben, omdat er tussen de deelgenoten eerst sprake moet zijn van een verdeling (art. 3:182 en 183 BW). Aldus besliste de Hoge Raad in de z.g. Nahar-arresten HR 9 nov. 1990, NJ 1992, 212, 213.
4. De positie van de debiteur, die niet op de hoogte is van het gemeenschappelijke karakter der vordering (algemeen).
Behoort een vordering van de beginne tot een gemeenschap, dan zal de debiteur daarmede rekening hebben te houden en zo hij dat niet doet dan is hij niet gekweten (zie onderdeel 3). Maar in ons recht kan het soms voor de debiteur niet duidelijk of zelfs niet kenbaar zijn dat het om een gemeenschapsvordering gaat.
Valt de vordering in enige huwelijksgemeenschap, waarin de crediteur is gehuwd, dan geldt art. 3:170 BW niet, omdat dan de bestuursregeling van Boek 1 (art. 1:97 BW) vóórgaat. De daar geldende regeling maakt in principe de echtgenoot-crediteur exclusief tot inning bevoegd.
Tot nog toe liepen dus inningsbevoegdheid en het opnaamluiden van de vordering parallel. Dat wijzigt zich met de ontbinding van de gemeenschap t.g.v. het einde van het huwelijk en het daarmede gepaard gaande einde van genoemde bestuursbevoegdheid. Art. 3:170 BW treedt dan in werking. Er zijn dan vier mogelijkheden:
a. vanaf de inschrijving van de echtscheidingsuitspraak zijn beide echtgenoten slechts tezamen bevoegd tot innen.
b. hetzelfde geldt bij het in kracht van gewijsde gaan van de uitspraak van de uitspraak van de scheiding van tafel en bed.
c. is de echtgenoot-crediteur overleden dan zijn vanaf dat moment diens erfgenamen en de overblijvende echtgenoot slechts tezamen bevoegd.
d. is de echtgenoot van de crediteur overleden dan zijn diens erfgenamen en de echtgenoot-crediteur slechts tezamen bevoegd.
Daarnaast is er nog een vijfde geval van onverwacht in werking treden van art. 3:170 BW, namelijk vanaf de ontbinding van een maat- of vennootschap, omdat dan art. 7A:1673 BW ophoudt te werken. De ontbinding van een rechtspersoon laat ik in dit kader buiten beschouwing.
Wanneer zal in de praktijk de debiteur zich deze toepassing van art. 3:170 BW bewust zijn als hij gaat betalen aan degeen die krachtens zijn rechtsverhouding zijn crediteur is (lijkt te zijn) d.w.z. op wiens naam de vordering luidt? Allereerst het geval sub c en in het algemeen de situatie als de crediteur is overleden. De situatie is eenvoudig als de thans overleden crediteur een vertegenwoordiger had aangesteld; daarin voorziet art. 3:76 BW grotendeels. Zo niet dan is er in eerste instantie niemand meer die voor crediteur kan worden aangezien. Maar in de andere genoemde gevallen sub a, b, d en e zal de debiteur meestal niet op de hoogte zijn van de oorzaak van het in werking treden van art. 3:170 BW.
Deze situatie speelde onder het oud BW eveneens bij een vordering, die bijv. tot een ontbonden huwelijksgemeenschap behoorde. In een met het onderhavige geval vergelijkbare situatie besliste de HR op 3 februari 1967, NJ 1967, 441, dat de debiteur zijn verplichtingen tegenover zijn (formele) crediteur heeft na te leven en de tussen (gewezen) echtelieden onderling bestaande verhoudingen, voortspruitend uit hun huwelijksgoederenregime, de debiteur in zoverre niet raken. De betreffende uitspraak werd toen algemeen als juist ervaren, zulks vooral ter bescherming van het rechtsverkeer.
Een debiteur kon zich onder het oud BW beroepen op het toenmalige art. 1422 BW als hij te goeder trouw was t.a.v. de wijziging van de inningsbevoegdheid en kan voorts niet betaling weigeren door zich zijnerzijds op de wijziging in de inningsbevoegdheid te beroepen, mede op grond van genoemd arrest van 1967.
Hoe is de situatie nu na de invoering van het (Nieuw) BW en de duidelijke ommezwaai in de richting van de bescherming van de (andere) deelgenoten, zoals deze voortvloeit uit art. 6:15 jo 3:170 BW?
Hierover heeft thans de Hoge Raad zich uitgelaten.
5. De nieuwe positie van de debiteur van een gemeenschapsvordering.
In rov. 3.3.3 laat de Hoge Raad er geen twijfel over bestaan dat de regel van het arrest van 3 febr. 1967 zijn geldigheid heeft verloren op grond van de invoering van art. 3:170 BW en de ratio daarvan, zoals hiervoren reeds is aangegeven. De regel dat de debiteur bevrijdend aan een deelgenoot-crediteur zou kunnen betalen, zelfs indien deze debiteur wist, dat deze jegens de andere deelgenoten niet bevoegd was de betaling te ontvangen, geldt niet meer aldus de Hoge Raad (slot voorlaatste alinea rov. 3.3.3).
Het laten vallen van deze laatste regel tast een vlot betalingsverkeer op zich niet wezenlijk aan. Wie te kwader trouw (wetend van de onbevoegdheid tot innen) betaalt behoeft niet per sé beschermd te worden. Maar dat is anders bij de debiteur die niet op de hoogte is van deze ontwikkeling t.a.v. zijn crediteur (zie de gevallen sub a, b, d en e uit onderdeel 4 hiervóór). Daaraan wordt voldoende recht gedaan, aldus de Hoge Raad, door art. 6:34 BW.
Is in een rechtsverhouding duidelijk aangegeven, wie de "formele" crediteur is, dan levert dit, aldus rov. 3.3.3 laatste alinea een "redelijke grond" in de zin van art. 6:34 BW op, waarop de debiteur zonder enig nader onderzoek mag afgaan om bevrijdend te kunnen betalen, ook als deze crediteur achteraf blijkt deelgenoot te zijn geweest in (in casu) een ontbonden huwelijksgemeenschap. Dit alles lijkt te moeten leiden tot een ruimere goede trouw bij art. 6:34 BW, dan men zou verwachten als men voor het begrip goede trouw zou terugkoppelen naar het definitie-artikel 3:11 BW; krachtens dat artikel wordt goede trouw ook geacht te ontbreken, als degeen die zich op goede trouw beroept, de relevante omstandigheden behoorde te kennen, welke situatie zich ook voordoet als hij reden tot twijfel had.
Wijst dus art. 3:11 BW soms in de richting van enig verder onderzoek, de Hoge Raad wijst de noodzaak daarvan af bij deze toepassing van art. 6:34 BW.
Deze laatste conclusie wordt nog verstrekt doordat de Hoge Raad in de laatste zin van rov. 3.3.3 kennelijk limitatief ("dit is slechts anders") twee gevallen noemt van ontbreken van goede trouw, namelijk als de debiteur ten tijde van de betaling: a. wist, b. op grond van een tijdige mededeling van de andere deelgenoot of diens erfgenamen had behoren te begrijpen, dat de formele crediteur niet alleen tot innen bevoegd was.
De door de Hoge Raad gebruikte term wist (en niet "behoorde te weten") lijkt ook hier weer sterk te wijzen naar het niet verlangen van enig onderzoek; een afwijking dus van art. 3:11 slot BW. De enige reden tot twijfel die de Hoge Raad in casu lijkt over te laten is de tijdige mededeling van een andere deelgenoot.
Belangrijke vragen laat deze terminologie van dit arrest toch open.
Is een mededeling van de formele crediteur-deelgenoot onvoldoende of valt deze situatie juist onder "wist"? En als er een overlijdensadvertentie is geplaatst wordt deze als wetenschap toegerekend? Is de employé van de betalende bank de wetenschap (bijv. van het aanwezig zijn van een gemeenschap) van een hogere functionaris toe te rekenen? Dat zijn vragen, die de termen "wist" enerzijds en "mededeling van een andere deelgenoot" niet direct beantwoorden.
Thans enkele voorbeelden ter verduidelijking: wat is het gevolg als de debiteur op de hoogte was van het volgende:
A. De formele crediteur was ooit in gemeenschap van goederen gehuwd; m.i. is dat onvoldoende reden tot twijfel; goede trouw ex 6:34 BW is aanwezig.
B. Idem en tevens dat de gemeenschap door echtscheiding ontbonden was; m.i. relativering al naar gelang de rechtskennis van de debiteur; immers niet elke debiteur weet alle gevolgen van echtscheiding te plaatsen.
C. De debiteur heeft reden om de punten A of B te vermoeden, maar heeft totaal geen zekerheid; m.i. onvoldoende voor onderzoeksplicht, gezien de formulering van de Hoge Raad in casu.
D. De debiteur heeft enig vermoeden dat de crediteur in gemeenschap was gehuwd en dat zijn echtgenoot is overleden; m.i. onvoldoende als sub C.
Het lijkt dat de Hoge Raad deze ruime goede trouw bij art. 6:34 BW heeft bedoeld gezien het slot van rov. 3.3.3 én het slot van rov. 3.4, waarin gesproken wordt van de "toepasselijkheid van art. 6:34 lid 1, zoals dat blijkens het hiervoor overwogene voor een geval als het onderhavige moet worden verstaan".
Enerzijds lees ik in dit slot van rov. 3.4 een afwijking bij 6:34 lid 1 van de hoofdregel van de goede trouw ("moet worden verstaan") anderzijds geven de woorden "voor een geval als het onderhavige" weer een relativering te zien.
Met dit al blijft dan ook nog het probleem, wanneer er sprake is van "wist" in de zin van rov. 3.3.3 slot en wanneer van een ernstig vermoeden, zonder dat er sprake is van "wist". Welke rol speelt hier de rechtskennis van de debiteur? En wanneer moet hij toch vragen stellen?
Zolang deze rechtsonzekerheid nog niet volledig tot klaarheid is gekomen, zal de debiteur er soms verstandig aan doen art. 6:37 BW in te roepen en de betaling maar op te schorten. Dit is geen bevordering van een vlot betalingsverkeer, maar twee keer betalen is voor een debiteur onder deze omstandigheden ook geen aantrekkelijk perspectief!
Niettemin is deze uitspraak een duidelijke aanwijzing in de richting, dat de debiteur bij betaling slechts ingeval van (zeer) ernstige twijfel een nader onderzoek behoeft in te stellen of het om een gemeenschapsvordering in de zin van art. 3:170 BW gaat, naast het geval, waarin hij een desbetreffende mededeling krijgt van één van de deelgenoten.
WMK


Voetnoot verwijzingen
NOOT *:
Zie ook FJR 1994/8, p. 191 (L.C.A. Verstappen); NTBR 1994/9, p. 228 (B. Wessels); red.

Redactionele verwijzingen
DJ 1996/2798
NJ 1996/485
NJ 1999/130
RVDW 1994/77
WFR 1997/1544